Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

ZC3680

Datum uitspraak2001-09-14
Datum gepubliceerd2001-09-14
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/263HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rolnr. C 99/263 HR Zitting 27 april 2001 Conclusie mr J. Spier inzake Gemeente Utrecht (hierna: de Gemeente of Utrecht) tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar College, 1. Inzet en verloop van de procedure 1.1 [Verweerder] reed op 10 mei 1984 als bestuurder van een motorfiets over de Universiteitsweg te Utrecht in de richting van de Bolognalaan. Bij de overgang van deze weg in genoemde laan versmalt de weg van twee rijstroken tot één rijstrook. De rechter rijstrook eindigt en de linkerrijstrook maakt een flauwe bocht naar links. In deze bocht heeft [verweerder] krachtig moeten remmen en heeft hij de macht over zijn motorfiets verloren. Hij is "daarbij via de trottoirband van zijn motor geslingerd en tegen een boom tot stilstand gekomen" (rov. 2.1 van het vonnis van de Rechtbank Utrecht). 1.2 Ten gevolge van de val heeft [verweerder] zeer ernstig letsel opgelopen. Hij heeft gevorderd dat Utrecht wordt veroordeeld tot vergoeding van de daardoor geleden schade, op te maken bij staat. 1.3 [Verweerder] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd het bepaalde in art. 6:174 BW. Meer in het bijzonder heeft hij aangevoerd dat "onvoldoende zorg is betracht bij de weginrichting" die tegen minimale kosten is uitgevoerd (dagvaarding onder 3 en 7). Deze laatste stelling wordt gebaseerd op een bij cve in geding gebracht rapport van SRB Rasenberg BV, met name blz. 4. 1.4 Aan de cve is voorts onder meer een aan de verzekeraar van Utrecht uitgebracht rapport van Robins Takkenberg BV gehecht. Daarin is te lezen a. dat er ten tijde van het ongeval ter plaatse geen "bebording" aanwezig was en dat deze ook na het ongeval niet is aangebracht; b. volgens Korssen (procesmanager wegen van Utrecht) had de onderbroken witte streep die de afscheiding markeert tussen rechtdoorgaand en rechtsafslaand verkeer "wat breder kunnen zijn", maar van een gevaarlijke situatie zou geen sprake zijn; c. de situatie wordt, zoals de bijgevoegde foto's zouden aantonen, overzichtelijk genoemd; d. het wordt "aannemelijker" genoemd dat het ongeval te wijten is aan te hard rijden dan aan "een eventueel onoverzichtelijke situatie en een gevaarlijke bocht"; e. het rapport rondt af: dat "het wellicht verstandiger was geweest indien de gemeente de onderbroken strepen conform de aanbeveling iets breder had gemaakt". 1.5.1 Op verzoek van [verweerder] heeft de Rechtbank Utrecht een (voorlopig) onderzoek door een deskundige gelast. De door haar benoemde deskundige (Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek, Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek) is door de Gemeente aangedragen. In de persoon van ir De Wit is een rapport uitgebracht. 1.5.2 Hoewel daarvoor geen wettelijke verplichting bestaat, mag volgens ir De Wit "redelijkerwijs (...) van een ontwerper van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom worden verwacht dat hij zijn ontwerp toetst aan de ASVV 1988 (...) dan wel dat bij een eventuele toetsing zijn ontwerp in de geest van ASVV 1988 past". De situatie ter plaatse voldoet daaraan, waarbij ir De Wit aantekent dat de ASVV "zoveel mogelijk ruimte aan de ontwerper" laten waardoor "meerdere oplossingen" mogelijk zijn. 1.5.3 Volgens de deskundige nodigt het ontwerp van de weg niet uit tot overschrijding van de maximum snelheid van 50 km/u. 1.5.4 Het rapport mondt uit in de conclusie: "In beginsel is voldoende zichtbaar dat de rechterrijstrook eindigt. Met name door de aanwezige verticale elementen aan het einde van deze strook na de inrit van het parkeerterrein. Gegeven de redelijkerwijs te verwachten rijsnelheid biedt de weg voldoende ruimte om bij een tweede beoordeling het rijgedrag op basis van een eerdere foute taxatie te corrigeren". 1.6.1 Uit een aan de advocaat van [verweerder] uitgebracht rapport van SRB-Rasenberg BV (uitgebracht door de heer Lichteveld) vermeld ik: a. ongeveer 100 m. voor de plaats des onheils staan verkeerslichten; b. op het traject na de verkeerslichten in de richting van de bocht, zijn op de linkerrijstrook geen wegmarkeringen aangebracht; wél op de rechterrijstrook op een afstand van ongeveer 10-50 en 80 meter vóór het einde van deze rijstrook (mijn toevoeging gecursiveerd); c. de wegbeheerder had verschillende mogelijkheden om het verkeer te informeren door borden, verdrijfpijlen of een verdrijvingsvlak/afbuigpijl; d. voor de bocht zou bord J5 niet misplaatst zijn geweest; e. bij observatie blijkt uit het verkeersverloop dat het verkeer niet "voorgeïnformeerd" is. 1.6.2 Volgens de rapporteur is in casu "duidelijk gekozen voor minimale kosten". Hij rondt af: "Ik moet derhalve stellen dat onvoldoende zorgvuldigheid is betracht bij de weginrichting en dat heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van het ongeval". Hij voegt een "alternatieve weginrichting" en een reeks foto's toe. 1.7.1 Volgens de Gemeente heeft [verweerder] het ongeval aan zijn eigen wijze van rijden te wijten. Hij zou na voor de verkeerslichten te hebben stilgestaan met enorme snelheid zijn opgetrokken (dit wordt bij dupliek onder 2 nog wat aangescherpt). Zij beroept zich daartoe op de verklaring van de dierenarts [betrokkene A] die het ongeval heeft zien gebeuren. De Gemeente betwist dat de weg/verkeerssituatie onveilig was. 1.7.2 [Betrokkene A] verklaart in haar brief dat zich bij het eerste stoplicht naast hem "de coureur met zijn nieuwe motor" bevond die - samengevat - ruim voor haar de bocht bereikte. 1.8 Bij repliek voert [verweerder] aan dat "de vraag of en in hoeverre een eventueel te hoge snelheid van [verweerder] heeft bijgedragen aan het ongeval" onverlet laat dat eerst de aansprakelijkheidsvraag moet worden beantwoord (onder 2). 1.9 Bij vonnis van 1 april 1998 heeft de Rechtbank Utrecht de vordering afgewezen. Zij wijst erop dat twee rapporten (waaronder dat van de door de Rechtbank benoemde deskundige) aangeven dat de weg aan de eisen voldeed. Naar haar oordeel is de conclusie van het onder 1.6 genoemde rapport niet begrijpelijk (hetgeen nader wordt gemotiveerd). Omdat dit fundament derhalve ondeugdelijk is en [verweerder] zijn stellingen niet nader heeft onderbouwd moet zijn vordering worden afgewezen. 1.10.1 [Verweerder] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld, waarbij hij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof beoogt voor te leggen (grief III). Hij geeft aan niet te weten met welke snelheid hij heeft gereden en niet uit te sluiten dat hij harder dan 50 km/u heeft gereden (mvg blz. 4), maar niet harder dan 80 km/u (blz. 6). 1.10.2 Hij ontkent destijds te hebben geweten dat ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km/u gold. Vanaf de plaats waar hij de A28 afreed, heeft hij geen desbetreffend bord of een bord bebouwde kom gezien (hoewel hij thans weet dat er wel zo'n bord staat). Hij had het ook niet behoeven te zien omdat het niet zichtbaar is, verscholen als het is achter gebladerte. Daarom, aldus [verweerder], gold "in principe" de maximumsnelheid van 80 km/u (blz. 5). De aangehechte "foto's" bevinden zich slechts in het B-dossier. 1.10.3 Bij pleidooi dringt [verweerder] nog aan dat zijn vrouw - die ter plaatse werkzaam is - niet anders heeft geconstateerd dan dat het bord verscholen was (pleitnotities mr Boelens onder 21). 1.11 De Gemeente volhardt bij haar eerdere stellingen. Met betrekking tot de ter plaatse toegestane snelheid merkt zij op dat de onderhavige weg binnen de bebouwde kom ligt en dat men, komend vanaf de A28, een goed zichtbaar bord passeert. Zij wijst er daarbij op dat de situatie na het ongeval is gewijzigd zodat nadien mogelijk is dat - samengevat - een bestuurder het bord niet heeft gezien (mva onder 9.2). De Gemeente baseert zich hierbij op een aan de memorie gehechte brief van de Dienst Stadsbeheer; bij pleidooi wordt de stelling herhaald (pleitnota mr Keulen onder 4). 1.12 Het Hof Amsterdam heeft bij arrest van 29 april 1999 het bestreden vonnis vernietigd. 1.13.1 Het Hof baseert zich op de vaststaande feiten, de stellingen van partijen, de overgelegde producties en in het bijzonder de foto's. Het Hof vermeldt onder meer dat waar de rechter baan naar links buigt de weg versmalt tot ongeveer de helft van de breedte, waarbij de rechter rijstrook "in feite in het begin van de bocht abrupt wordt afgesneden." Het Hof constateert vervolgens dat voor deze wegversmalling geen bijzondere waarschuwingstekens zijn aangebracht (rov. 4.2). 1.13.2 Ter plaatse geldt, aldus het Hof, een maximumsnelheid van 50 km/u (rov. 4.2). Uit de (verdere) inrichting van de betrokken wegen en de omgeving behoorde [verweerder] af te leiden "dat hij zich op een weg bevond waar de in acht te nemen voorzichtigheid met zich bracht dat hij niet meer dan 50 km per uur reed (rov. 4.2 en 4.3). 1.13.3 Gegeven het ongeval moet, bij gebreke van een behoorlijk toegelichte andere verklaring, naar 's Hofs oordeel worden aangenomen dat [verweerder] zodanig hard heeft gereden en/of onoplettend is geweest dat hij door de wegversmalling is verrast. Daarom moet het ongeval "tenminste mede" aan [verweerder] worden toegerekend (rov. 4.3). 1.14 De inrichting van de weg is, aldus nog steeds het Hof, zodanig "dat een minder oplettende weggebruiker bij of kort voor het ingaan van de bocht door de versmalling zodanig kan worden verrast, dat dat gevaar voor hem (...) oplevert, bij voorbeeld doordat hij zich genoodzaakt ziet zijn verkeersgedrag (koers of snelheid) plotseling te corrigeren met - zeker voor een motorrijder - alle risico's van dien." Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Gemeente rekening dient te houden met weggebruikers als [verweerder] die zich niet steeds correct aan de verkeersregels houden (rov. 4.4). 1.15 Alle omstandigheden afwegend en bij gebreke van aanwijzingen voor een andere verdeling oordeelt het Hof dat "het handelen van de gemeente en dat van [verweerder] in gelijke mate tot de schade hebben bijgedragen". Daarom acht het college [verweerders] vordering voor de helft toewijsbaar (rov. 4.5). 1.16 De Gemeente heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft het beroep tegengesproken en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. 2. Inleiding 2.1 In deze zaak zag het Hof zich geplaatst voor de moeilijkheid dat niet uit de verf is gekomen wat er precies is gebeurd. Ook is niet geheel duidelijk geworden hoe de plaatselijke situatie was. 2.2 Dat laatste geldt met name voor de vraag of de borden die aangaven dat weggebruikers ter plaatse maximaal 50 km/u mochten rijden zichtbaar waren. [Verweerder] ontkent dat aan de hand van foto's. De Gemeente betwist de relevantie van die foto's maar haar betoog - dat uiteraard juist kan zijn - is vrijwel ongemotiveerd. In de onder 1.11 genoemde brief van Stadsbeheer - waarop haar betoog blijkbaar geheel is gebaseerd - kan ik weinig feitelijke basis voor haar stelling vinden. 2.3.1 In het bijzonder ook is onduidelijk gebleven wat de precieze oorzaak/toedracht van de aanrijding was. Slechts één getuige zegt dat hij het ongeval heeft zien gebeuren. Doch zijn relaas is weinig nauwkeurig. 2.3.2 De Gemeente heeft daaraan een haar welgevallige draai gegeven die berust op een mengsel van interpretatie en aanvulling van feiten. Het Hof heeft blijkbaar gemeend - hetgeen, gezien de positie waar de getuige zich bevond, gemakkelijk te begrijpen is - dat deze getuige destijds kennelijk al niet in staat was om nauwkeurig(er) te zijn over de snelheid van [verweerder] zodat hij daarover na verloop van vele jaren al helemaal niets met stelligheid zal kunnen verklaren. Daarbij heeft het Hof allicht in aanmerking genomen dat de Gemeente ongetwijfeld zal hebben aangedrongen op nadere concretisering waartoe de getuige blijkbaar niet in staat was. 2.4.1 De rapporten van de deskundigen lijken in sterkere mate overeen te stemmen dan beide partijen schijnen te menen. Ontdaan van alle franje komen ze er - met gradaties - m.i. op neer dat de deskundigen menen dat de vraag of de weg voldeed aan de daaraan te stellen eisen zowel bevestigend als ontkennend kan worden beantwoord. Ik licht dat kort toe. 2.4.2 Het rapport van ir De Wit is voor de Gemeente het gunstigst, al is de formulering wat dubbelzinnig (vide sub 1.5.2 - 1.5.4 ("in beginsel"). Het rapport van Robins Takkenberg zoals weergegeven onder 1.4. b, d en e illustreert hetgeen onder 2.4.1 is betoogd wanneer men tussen de regels doorleest en bedenkt dat het om een partijdeskundige gaat. Hoewel het rapport van SRB-Rasenberg het stelligst is (zie onder 1.6.2) ten gunste van [verweerder], geldt daarvoor min of meer hetzelde: zie met name onder 1.6.1 onder c, d en e. 2.5 Enerzijds omdat de situatie ter plaatse inmiddels is gewijzigd en anderzijds omdat van nog meer deskundigen weinig nieuws viel te verwachten, heeft het Hof begrijpelijkerwijs gemeend recht te moeten doen op basis van de beschikbare informatie. Uit het arrest blijkt dat het Hof acht op dit alles heeft geslagen en zich aan de hand van de foto's ook een eigen oordeel heeft gevormd. 2.6 Nu de deskundigenrapporten, als gezegd, zowel een bevestigende als een ontkennende beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag toelieten heeft het Hof blijkbaar met name de foto's doorslaggevend geacht. Dat is begrijpelijk. Zijn oordeel is in hoogst overwegende mate gebaseerd op een waardering van de feiten en onttrekt zich aan toetsing in cassatie. De sterren staan daarmee ongunstig voor de cassatieklachten. 2.7 Opmerking verdient nog dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat de Gemeente er rekening mee had behoren te houden dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige oplettendheid en voorzichtigheid zullen betrachten.1 Dat brengt mee dat een reeks waarschuwingen ontoereikend kan zijn.2 Dat geldt dan a fortiori voor het geheel achterwege blijven daarvan, zoals in casu. 3. Bespreking van de klachten in het principale beroep 3.1 Onderdeel a bevat geen klacht. Op de vraag of de daarin verwoorde stellingen en uitgangspunten juist zijn behoef ik dus niet in te gaan. 3.2 Onderdeel b acht ontoelaatbaar onduidelijk "of - en zo ja hoe -" het Hof rekening heeft gehouden met de stellingen van de Gemeente dat [verweerder] veel te hard heeft gereden en dat de situatie ter plaatse overzichtelijk was. 3.3 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft de situatie ter plaatse onmiskenbaar onvoldoende overzichtelijk geacht; zie onder 1.14. Dat oordeel is begrijpelijk gemotiveerd; zie onder 1.13.1 en 1.14. 3.4 Het Hof heeft met de Gemeente geoordeeld dát [verweerder] te hard heeft gereden (of anderszins onvoldoende oplettend is geweest); zie onder 1.13.3 en 1.15. Klaarblijkelijk - en volstrekt begrijpelijk - heeft het Hof gemeend dat het onmogelijk was een meer gefundeerd oordeel te geven over de snelheid waarmee [verweerder] heeft gereden; het heeft in dat verband kennelijk - en eveneens begrijpelijk - geoordeeld dat de stelling van de Gemeente uit de lucht gegrepen was en dus geen verdere bespreking behoefde; zie onder 2.3. 3.5 Onderdeel c bouwt goeddeels voort op het voorafgaande en is gedoemd het lot ervan te delen. Het ziet er voorts aan voorbij dat het Hof - met juistheid - heeft geoordeeld dat de Gemeente had behoren te anticiperen op fouten van weggebruikers; zie onder 1.14 en 2.7. 3.6 Hierbij verdient nog opmerking dat 's Hofs oordeel over de verkeersgevaarlijkheid van de litigieuze weg begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is; zie onder 1.13.1, 1.14 en 2.4 - 2.6. Hierop stuit ook onderdeel d af. 3.7 Ten overvloede (want naast hetgeen daarover onder 2.3 is opgemerkt) stip ik met betrekking tot de ook in onderdeel b betrokken stelling dat het Hof de snelheid van [verweerder] niet in het midden had mogen laten nog het volgende aan. 3.8 's Hofs oordeel zal mede als volgt moeten worden begrepen. De situatie ter plaatse is niet overzichtelijk. Kort na de stoplichten wordt de weg aanzienlijk versmald waardoor de na de stoplichten rechtdoor rijdende weggebruikers als het ware in een fuik terechtkomen. Daarop wordt niet door borden gewezen. Evenmin wordt de snelheid beperkt door bijvoorbeeld borden. Aldus is sprake van een verkeersonveilige situatie die aansprakelijkheid van de Gemeente in het leven roept. 3.9 Hierin ligt besloten dat de Gemeente ofwel de maximum snelheid had behoren te beperken dan wel ten minste had moeten aangeven dat 50 km/u onder alle omstandigheden de maximum toelaatbare (en veilige) snelheid is. Tegen deze achtergrond moet worden bezien dat het Hof van oordeel was dat de snelheid waarmee [verweerder] heeft gereden in het midden kon blijven. 's Hofs gedachtegang komt - naast hetgeen hiervoor reeds werd vermeld - op het volgende neer: a) de Gemeente moest rekening houden met de (naar ervaringsregels leren) reële mogelijkheid dat verkeersdeelnemers zich niet steeds aan de toegestane maximum snelheid (in casu 50 km/u) houden; b) ter plaatse was 50 km/u bepaaldelijk geen veilige snelheid, doch [verweerder] behoefde dat niet te weten omdat de Gemeente daar niet door borden of anderszins op heeft gewezen; c) zelfs als juist zou zijn dat [verweerder] wezenlijk meer dan 50 km/u heeft gereden (waaromtrent niets concreets is aangevoerd), dan nog moet de Gemeente in elk 50% van zijn schade vergoeden omdat haar causale bijdrage ook in dat geval ten minste 50% is. 3.10 Het zojuist parafraserenderwijs weergegeven oordeel van het Hof is zeker niet onbegrijpelijk. Daarop stuiten de daartegen gerichte motiveringsklachten af. Ook de onderdelen e, f en g die niets nieuws te berde brengen vinden hierin hun Waterloo. Bovendien is niet goed in te zien wat het Hof voor nauwkeurigs over de snelheid van [verweerder] had kunnen zeggen nu zelfs de Gemeente - op wier weg zulks had gelegen - blijft steken in vage - en niet gefundeerde - stellingen. 3.11 Voorzover onderdeel h nog aanvullende klachten behelst, strekt het, naar ik begrijp, ten betoge dat het Hof niet had mogen volstaan met het "globale oordeel dat de inrichting van de weg niet voldoet (voldeed) aan de daaraan (...) te stellen eisen". Het Hof had "nader moeten aangeven welke concrete maatregelen door de Gemeente hadden moeten zijn getroffen". 3.12 Het onderdeel stelt overspannen motiveringseisen, reeds omdat het niet aan de rechter is om een keuze te maken uit de verschillende in aanmerking komende alternatieven. 4. Het incidentele cassatieberoep Nu de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld m.i. niet is vervuld, kom ik aan bespreking van de incidentele klachten niet toe. Mocht Uw Raad er wél behoefte aan hebben dan ben ik uiteraard graag bereid een nadere conclusie te nemen. Conclusie Deze conclusie strekt tot verwerping van het (principale) cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal 1 O.m. HR 20 maart 1992, NJ 1993, 547 CJHB ; zie ook HR 17 november 2000, NJ 2001, 10. 2 Zie Onrechtmatige Daad art. 174 (Oldenhuis) aant. 106.


Uitspraak

14 september 2001 Eerste Kamer Nr. C99/263HR CP Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE GEMEENTE UTRECHT, zetelende te Utrecht, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: mr. J.K. Franx, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiser, advocaat: mr. W.G.H. van de Wetering. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 31 oktober 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd de Gemeente te veroordelen, aan [verweerder] te vergoeden de schade, nader op te maken bij staat, welke schade het gevolg is van het [verweerder] overgekomen ongeval op 10 mei 1994 te Utrecht op de Universiteitsweg/Bolognalaan. De Gemeente heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 1 april 1998 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 29 april 1999 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Gemeente veroordeeld om aan [verweerder] te vergoeden de helft van de schade, op te maken bij staat, die door hem is geleden als gevolg van het hem op 10 mei 1994 overkomen ongeval. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het (principale) beroep. 3. Boordeling van het middel in het principale beroep 3.1 De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Spier onder 1.1 en 1.2. 3.2 Het middel bestrijdt 's Hofs arrest met een reeks van motiveringsklachten. Zij falen. Een deel van de tegen 's Hofs beslissing gerichte klachten gaat uit van motiveringseisen die geen steun vinden in het recht. Voor het overige zijn zij gericht tegen feitelijke oordelen van het Hof die niet onbegrijpelijk of onvoldoende zijn gemotiveerd. 3.3 Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het middel in het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 14 september 2001.